klierig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klie·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen klierig klieriger klierigst
verbogen klierige klierigere klierigste
partitief klierigs klierigers -

Bijvoeglijk naamwoord

klierig

  1. van een persoon dat deze een ander persoon expres tot last is
    • „Ik volg een opleiding bij Defensie en als ik daar om me heen kijk, denk ik vaak: wat een kleuters. Lucien – die ook bij Defensie zit – en ik zijn echt heel braaf, zeggen ze. Wij doen wat er wordt gezegd, dat zijn we van huis uit gewend. Dan sta je bijvoorbeeld in de eerste rust en dan mag je niet kletsen en dan zijn er altijd wel een paar aan het kletsen. Kinderachtig, klierig.[1] 
    • Bush schrijft hoe hij als klierig jongetje wodka in een viskom goot en hoe hij in de tijd dat drank langzamerhand zijn god dreigde te worden, tijdens een familiediner aan een mooie vriendin van zijn vader en moeder vroeg: 'En, hoe is dat nou, seks na je vijftigste?' [2]  
Synoniemen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Danielle Pinedo Hetty Nietsch 31 augustus 2013
  2. Volkskrant Arie Elshout 13 november 2010