klier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klier
Woordherkomst en -opbouw
  • Van Middelnederlands cliere; verdere oorsprong geheel onduidelijk
enkelvoud meervoud
naamwoord klier klieren
verkleinwoord kliertje kliertjes

Zelfstandig naamwoord

klier m

  1. (informeel) een onuitstaanbaar mens.
    • Wat ben jij toch een klier, zeg! 

klier v/m

  1. (biologie) een orgaan dat een stof afscheidt.
    • Speeksel wordt gemaakt in klieren in de mond. 
  2. (biologie) een cel die een product afscheidt dat door een plant niet verder verwerkt wordt.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
klieren

klier

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klieren
    • Ik klier. 
  2. gebiedende wijs van klieren
    • Klier! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klieren
    • Klier je?