klerezooi

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kle·re·zooi
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klerezooi
verkleinwoord klerezooitje

Zelfstandig naamwoord

klerezooi v/m

  1. ongeordend geheel dat moet worden opgeruimd of schoongemaakt
    • Na het feest was de woonkamer een klerezooi. 
  2. (figuurlijk) ongewenste toestand als resultaat van een wanordelijk proces
    • Na de reorganisatie is het op mijn werk een klerezooi gebleven. 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.