klerewijf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kle·re·wijf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klerewijf klerewijven
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

klerewijf o

  1. (pejoratief) vervelende ordinaire vrouw
    • Een klerewijf, maar wel een leuk klerewijf. Zo typeert trainer Chris de Korte (74) zijn pupil liefkozend. Ze lacht. „Van hem snap ik dat wel. Ik ben een sterke vrouw en kan vervelend en onhebbelijk zijn. Ik heb een grote mond en dat is een beetje eng. Het stoot meer mensen af dan dat het aantrekt, vooral mannen. Ik ben een powerwijf en wil ook geen softie als kerel. Ik zou over hem heen lopen. Maar wie me echt kent, kijkt dwars door me heen. Dat zijn acht, misschien negen mensen.”[1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. NRC Michiel Dekker 21 april 2012
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be