kleinzieligheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klein·zie·lig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kleinzieligheid kleinzieligheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kleinzieligheid v [1]

  1. het bekrompen en benepen zijn van opvattingen en uitingen
     ... dan moet hij haar bellen om haar te vragen de band op te sturen, als hij het kan opbrengen om met haar te praten, of omgekeerd, als hij zich ertoe kan zetten; hij ziet haar ervoor aan dat ze die uit kleinzieligheid heeft weggegooid ...[2]
     Ook de Amerikaanse president Donald Trump kreeg twee beeldjes. Voor zijn rol in de documentaires Fahrenheit 11/9 en Death of a Nation werd hij uitgeroepen tot slechtste acteur. De organisatie riepen hem en "zijn zichzelf in stand houdende kleinzieligheid" ook uit tot slechte filmkoppel. Trumps adviseur en woordvoerder Kellyanne Conway kreeg de prijs voor slechtste vrouwelijke bijrol.[3]
  2. iets dat uiting geeft aan het benepen zijn van opvattingen en uitingen
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Johan Harstad (vert. Edith Koenders en Paula Stevens) “Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium op Wikipedia, ISBN 9789057598500
  3. Bronlink geraadpleegd op 13 februari 2022 Weblink bron “Anti-Oscars uitgereikt: meeste Razzies voor Holmes & Watson” (23-02-2019), NOS