klauteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klau·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘klimmen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1562 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
klauteren
klauterde
geklauterd
zwak -d volledig

Werkwoord

klauteren

  1. inergatief klimmen, zich verticaal verplaatsen met behulp van alle vier de ledematen
    • Hij klauterde vaak de boom in om van het uitzicht te kunnen genieten. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen