klats

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klats
Woordherkomst en -opbouw

Tussenwerpsel

klats

  1. geluid van een klap met iets dat een veerkrachtig of vloeibaar oppervlak heeft
    • Wederom sloeg de vuist in het gelaat, recht in de ogen, tegen de neus, in de maag, onder de kin. ‘Alsjeblieft! Die is voor jou! En deze ook! Je weet zeker wel waarvoor! En hier, klats, moge het je bekomen!’ [5]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
  • klets-klats
    om opeenvolgende, met enig ritme toegebrachte klappen aan te geven
enkelvoud meervoud
naamwoord klats -
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

Zelfstandig naamwoord

klats m

  1. klap met iets dat een veerkrachtig of vloeibaar oppervlak heeft
    • ‘Dat mag je niet, stoute jongen’, zegt Meer tegen Lowieke en als ie begint te huilen, geeft ze 'm 'n klats over z'n broek. [6]
Synoniemen
enkelvoud meervoud
naamwoord klats -
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

Zelfstandig naamwoord

klats m / v

  1. kleine hoeveelheid vloeibaar of strooibaar materiaal
    • Als hij durfde omkijken, moest er een klaar zijn om hem in het gezicht te spuwen. Ja met een goeie vette klats, zo'n bruine van een peelwerker. [7]
  2. restant drank of voedsel
Synoniemen

Gangbaarheid

55 % van de Nederlanders;
25 % van de Vlamingen.

Verwijzingen