klappen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klap·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
klappen
klapte
geklapt
zwak -t volledig

Werkwoord

klappen

  1. inergatief als vertoon van bijval, dank of bewondering de open handen ineenslaan
    • Het publiek klapte beleefd, maar meer ook niet. 
  2. ergatief plotseling met een luid geluid vallen
    • De omvallende fiets klapte tegen de vloer. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iets met rake klappen bekopen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

klappen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord klap

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl