kladden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klad·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kladden
kladde
geklad
zwak -d volledig

Werkwoord

kladden

  1. inergatief knoeien, vlekken maken
    • Ik zit een beetje te kladden. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord - kladden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kladden mv

  1. bij de ~ nemen/grijpen/pakken/vatten vastgrijpen, aanpakken
    • De dief werd al snel bij de kladden gegrepen. 

Werkwoord

vervoeging van
kladden

kladden

  1. meervoud verleden tijd van kladden
    • Wij kladden. 
    • Jullie kladden. 
    • Zij kladden. 

Zelfstandig naamwoord

kladden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord klad

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen