kladden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klad·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kladden
kladde
geklad
zwak -d volledig

Werkwoord

kladden

  1. inergatief knoeien, vlekken maken
    • Ik zit een beetje te kladden. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kladden

kladden

  1. meervoud verleden tijd van kladden
    • Wij kladden. 
    • Jullie kladden. 
    • Zij kladden. 

Zelfstandig naamwoord

kladden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord klad
Uitdrukkingen en gezegden
  • bij de kladden nemen/grijpen/pakken/vatten
    vastgrijpen, aanpakken ('klad' in de betekenis: stuk stof)

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen