klaaglijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klaag·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen klaaglijk klaaglijker klaaglijkst
verbogen klaaglijke klaaglijkere klaaglijkste
partitief klaaglijks klaaglijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

klaaglijk [2]

  1. van een persoon dat deze (te) veel klaagt
    • Het concert begon met de nummers Burn The Witch en Daydreaming van het nieuwe album, zonder strijkers maar in een compacte rockbezetting met extra drummer. Thom Yorke, met zijn haar in gebruikelijke knot, zong klaaglijk maar strijdvaardig in My Iron Lung: „This is our new song!”[3] 
    • Daarom had RTL al hoog en breed een beeldbepalende creoolse presentator van een lateavondpraatshow, toen ze bij de NPO nog klaaglijk 'wekunnuhzenietvinduh' jankten na de zoveelste vruchteloze zoektocht door de eigen achtertuin en na de zoveelste keer lafjes peuren in de eigen navel, die óók al vol wittig spul bleek te zitten. Met zijn lateavondpraatshow vol Amerikaans aandoende positiviteit en vrolijkheid overklast de beeldbepalende creoolse presentator inmiddels avond na avond de tobberige NPO-concurrent in kijkcijfers. [4] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. klaaglijk op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. NRC 21 mei 2016
  4. NRC Volkskrant Sheila Sitalsing 25 oktober 2016