kiemwit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kiem·wit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kiemwit
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kiemwit o [1]

  1. (voeding) het weefsel in de zaden van zaadplanten, dat vaak een rol speelt bij de opslag van reservestoffen ten behoeve van de kieming, de groei van het embryo en van de jonge plant
     De tarwe komt binnen op een breker, de fracties gaan naar boven in een zifter en elk van de fracties wordt meerdere keren opnieuw gezift en gemalen om zoveel mogelijk bloem te kunnen afscheiden. In biologische termen: het endosperm of kiemwit waar de bloem in zit en de verder te vermalen (zemel)deeltjes worden steeds verder gescheiden.[2]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

49 % van de Nederlanders;
58 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron wdh “Hoe finetune je een tarwemaalderij?” (16/01/2016), De Standaard
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be