kibbelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kib·be·laar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kibbelaar kibbelaars
verkleinwoord kibbelaartje kibbelaartjes

Zelfstandig naamwoord

kibbelaar m [1]

  1. iemand die teveel ruzie zoekt of maakt
    • Wat is er meer voor de hand liggend dan eerst het overleg met VVD en PVV – de laatste komt niet eens in de regering – af te wachten en dan pas te oordelen, aanvaarden of verwerpen? Begrijpen deze kibbelaars niet dat ze het alleen maar erger maken? Beschamend. [2] 
    • Waarom hoor je kibbelaars dan voornamelijk de argumenten van de tegenpartij de grond in boren, in plaats van de eigen standpunten zo aantrekkelijk mogelijk te maken? [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen