keutelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • keu·te·laar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord keutelaar keutelaars
verkleinwoord keutelaartje keutelaartjes

Zelfstandig naamwoord

keutelaar m

  1. iemand die zich drukmaakt over kleinigheden
    • Een bestaand woord (keutelaar, volger, relativeerder, nagelbijter, betweter, meninghebbende, donor, criticaster etc.) dat een nieuwe specifieke betekenis krijgt. Zo’n woord is te weinig onderscheidend. [1] 
    • Ik klaag niet graag, maar zeg nu zelf: staat u ook niet versteld van het enorme aantal zeurpieten op internet, inclusief u zelf, van dat nooit aflatende koor van keutelaars, teutkousen, zanikpotten, zemelknopers en dooievisjesvreters? Dat teut maar door en zemelt maar voort. [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC 30 maart 2009 Kattenbeller, kaatser of reacteur
  2. NRC Gerrit Komrij 18 augustus 2011 Babbeldebabbel kwek-kwek-kwek