kerkrecht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kerk·recht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kerkrecht kerkrechten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kerkrecht o [1]

  1. de wetten en de rechtspraak binnen de de Roooms-katholieke of anglicaanse kerk
    • De voormalige Duitse bisschop Franz-Peter Tebartz-van Elst wordt niet verantwoordelijk gehouden voor de extreem opgelopen kosten van de verbouwing van zijn residentie in Limburg. Het bisdom moest liefst 31 miljoen euro neertellen, een veelvoud van de oorspronkelijke begroting van 5,5 miljoen. Het bisdom maakte woensdag bekend dat Tebartz-van Elst geen schadevergoeding hoeft te betalen en dat verder geen vervolging op basis van het kerkrecht wordt ingesteld.[2] 
    • De rechter stelde Henk Jansen voor het grootste gedeelte in het gelijk. Zo staat in het vonnis onder meer dat „regels van het kerkrecht” zouden zijn geschonden. Omdat er te weinig met dit vonnis zou zijn gedaan heeft Henk Jansen inmiddels een nieuw kort geding aangespannen.[3] 
  2. de kerkorde van de protestantse kerken
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen