kauwgum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kauw·gum
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘snoepgoed van suiker, olie en gom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1921 [1]
  • samenstelling van  kauw ww  en  gum  
enkelvoud meervoud
naamwoord kauwgum kauwgummen
verkleinwoord kauwgummetje kauwgummetjes

Zelfstandig naamwoord

kauwgum o

  1. een snoepgoed oorspronkelijk vervaardigd van het plantensap van de boom Manilkara chicle op Wikispecies, nu vaak vervangn door polyisobuteen
    • Je moet kauwgum niet op straat uitspugen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen