kauw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Kauwtje

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kauw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kauw kauwen
verkleinwoord kauwtje kauwtjes

Zelfstandig naamwoord

kauw v/m

  1. (dierkunde) Corvus monedula op Wikispecies, eem zwarte zangvogel met een grijze nek uit de Corvidae
    • Er zaten veel kauwtjes in de bomen. 
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kauwen

kauw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kauwen
    • Ik kauw. 
  2. gebiedende wijs van kauwen
    • Kauw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kauwen
    • Kauw je? 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen