kastijden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Uitspraak
Woordafbreking
  • kas·tij·den
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘tuchtigen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kastijden
kastijdde
gekastijd
zwak -d volledig

Werkwoord

kastíj́den

  1. lijfstraf in uitvoering brengen.
    • De lijfeigenen werden door hun wrede heer gekastijd omdat zij geprotesteerd hadden. 
enkelvoud meervoud
naamwoord - kastijden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kástijden mv

  1. de tijden waarop een kas open is.
    • Nee, ze zijn nu niet open omdat de kastijden zijn veranderd. 

Zelfstandig naamwoord

kastijden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kastijd

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen