Naar inhoud springen

kapittelen

Uit WikiWoordenboek
  • ka·pit·te·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kapittelen
kapittelde
gekapitteld
zwak -d volledig

kapittelen

  1. overgankelijk berispen, iemand de les leren
    • Het Kamerlid wil de minister kapittelen over zijn omstreden bezoek. 
  • Een stem in het kapittel hebben
invloed hebben, iets te zeggen hebben

dekapittelenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kapittel
77 %van de Nederlanders;
80 %van de Vlamingen.[2]