kantte af

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kant·te af

Werkwoord

vervoeging van
afkanten

kantte af

  1. enkelvoud verleden tijd van afkanten
    • Ik kantte af. 
    • Jij kantte af. 
    • Hij, zij, het kantte af.