kantoren

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kan·to·ren

Zelfstandig naamwoord

de kantorenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kantoor


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • kan·to·ren
Naar frequentie zeldzaam

Zelfstandig naamwoord

kantoren

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van kantor


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • kan·to·ren
Naar frequentie zeldzaam

Zelfstandig naamwoord

kantoren

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van kantor


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • kan·to·ren

Zelfstandig naamwoord

kantoren

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van kantor