kansel
Uiterlijk

- kan·sel
- Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘preekstoel’ voor het eerst aangetroffen in 1599 [1]
- afgeleid van het Duitse Kanzel [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kansel | kansels |
| verkleinwoord | kanseltje | kanseltjes |
de kansel m
- een kerkelijk, meestal verhoogd, meubelstuk waarvanaf de voorganger in de dienst zijn preek uitspreekt
- De kerkgangers werden vanaf de kansel door de predikant toegesproken.
- kanselarij, kanselier, kanselrede, kanselredenaar, kanselruil, kanselstijl, kanseltijger, kanselwelsprekendheid
- Het woord kansel staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "kansel" herkend door:
| 82 % | van de Nederlanders; |
| 71 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "kansel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ kansel op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be