kamperen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kam·pe·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tijdelijk in tenten verblijven’ voor het eerst aangetroffen in 1688 [1]
  • afgeleid van het Franse camper met het achtervoegsel -eren [2]
  • (sommigen denken dat dit woord afkomstig is van creperen)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kamperen
kampeerde
gekampeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

kamperen

  1. inergatief een vorm van openluchtrecreatie
    • Zij hadden bij een boer in de wei gekampeerd. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen