kamperen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kam·pe·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kamperen
kampeerde
gekampeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

kamperen

  1. inergatief een vorm van openluchtrecreatie
    • Zij hadden bij een boer in de wei gekampeerd. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen