kamper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Kampercamper

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kam·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kamper kampers
verkleinwoord kampertje kampertjes

Zelfstandig naamwoord

kamper m

  1. iemand die aan een (wed)kamp (wedstrijd) meedoet
    • (…) het verminderd getal van kampers maakte den strijd des te belangrijker (…) [2]
  2. (figuurlijk) iemand die met kracht voor een ideaal of belang opkomt
    • Het is ons niet duidelijk of de vergrijsde kamper voor de Westvlaamse taaleigenheid op dat ogenblik meer van de jonge geestelijke afwist dan wat deze zopas in zijn prospectus had wereldkundig gemaakt. [3]
  3. iemand die van een woonwagencentrum afkomstig is
    • Net als de burgerman trekt de kamper er 's zomers met zijn caravan op uit. Leny: "Zeg maar gerust in de lente, want dan krijgen wij al de kriebels. Dat reizen zit ons in het bloed." [4]
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • kam·per
Naar frequentie 4247

Zelfstandig naamwoord

kamper

  1. nominatief onbepaald mannelijk meervoud van kamp