kampen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kam·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kampen
kampte
gekampt
zwak -t volledig

Werkwoord

kampen

  1. inergatief ~ met van iets moeilijkheden ondervinden
    • Zij kampten met de gevolgen van de recente overstromingen. 

Zelfstandig naamwoord

kampen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kamp

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • kam·pen
Naar frequentie 1047

Zelfstandig naamwoord

kampen

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van kamp


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • kam·pen
Naar frequentie 941

Zelfstandig naamwoord

kampen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van kamp


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • kam·pen

Zelfstandig naamwoord

kampen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van kamp