kampen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kam·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘strijden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1299 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kampen
kampte
gekampt
zwak -t volledig

Werkwoord

kampen

  1. inergatief ~ met van iets moeilijkheden ondervinden
    • Zij kampten met de gevolgen van de recente overstromingen. 
    • Daarnaast kampte de organisatie met financiële problemen en viel de organisatiewerkgroep uiteen. "Hoewel er waarschuwingen zijn geweest, zijn we er te laat mee geweest om geleidelijk nieuw bloed en fris elan te werven", aldus voorzitter Jan Zomer in een reactie.[2] 

Zelfstandig naamwoord

kampen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kamp

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • kam·pen
Naar frequentie 1047

Zelfstandig naamwoord

kampen

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van kamp


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • kam·pen
Naar frequentie 941

Zelfstandig naamwoord

kampen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van kamp


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • kam·pen

Zelfstandig naamwoord

kampen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van kamp