kalen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kalen
kaalde
gekaald
zwak -d volledig

Werkwoord

kalen

  1. ergatief kaal op het hoofd worden
    • Hij is pas dertig, maar kaalt al wat op zijn kruin. 
  2. (scheepvaart) een schip van zijn takelage of tuig ontdoen
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie