kaffer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kaf·fer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kaffer kaffers
verkleinwoord kaffertje kaffertjes

Zelfstandig naamwoord

kaffer m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) (scheldwoord) (pejoratief) lomperd, stommeling
  2. zwarte Zuid-Afrikaan (vroeger), Bantoe in Zuid-Afrika
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
kafferen

kaffer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kafferen
    • Ik kaffer. 
  2. gebiedende wijs van kafferen
    • Kaffer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kafferen
    • Kaffer je? 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen