kabbeling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kab·bel·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kabbeling kabbelingen
verkleinwoord kabbelingetje kabbelingetjes

Zelfstandig naamwoord

kabbeling m

  1. het kabbelen van een beek

Gangbaarheid

46 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.