kaarter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kaar·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kaarter kaarters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kaarter m [1]

  1. iemand die een kaartspel speelt
    • Met zijn schoonzus en een ander echtpaar hebben ze een wekelijkse kaartmiddag die om en om bij een van de kaarters thuis wordt gehouden. [2] 
    • De enige tafel bij het raam in de kantine van voetbalvereniging Amstelveen-Heemraad doet elke zaterdagmiddag dienst als klaverjastafel, al tientallen jaren. Maar weinigen weten dat zich onder deze kaarters vier winnaars van de Kromhoutmotor bevinden. [3] 
    • Pokeraar Eric van den Burg verwacht geen GTST-taferelen in de items over de mens achter de kaarter. Er bestaat een eng beeld van pokeren. Pokeren om geld mag niet in Nederland, alleen in besloten kring. [4] 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen