kaanden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kaan·den

Werkwoord

vervoeging van
kanen

kaanden

  1. meervoud verleden tijd van kanen
    • Wij kaanden. 
    • Jullie kaanden. 
    • Zij kaanden.