kaakte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kaak·te

Werkwoord

vervoeging van
kaken

kaakte

  1. enkelvoud verleden tijd van kaken
    • Ik kaakte. 
    • Jij kaakte. 
    • Hij, zij, het kaakte.