juten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ju·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van jute met het achtervoegsel -en
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen juten

Bijvoeglijk naamwoord

juten

  1. van jute vervaardigd
    • Hij deed de aardappelen in een juten zak. 

Zelfstandig naamwoord

juten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord juut

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
60 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be