jurist

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ju·rist
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van Latijnse 'ius' (recht) met het achtervoegsel -ist
enkelvoud meervoud
naamwoord jurist juristen
verkleinwoord juristje juristjes

Zelfstandig naamwoord

jurist m

  1. (beroep), (juridisch) een deskundige op het gebied van rechtsleer
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie