jurering

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

jurering van foto's bij een fotowedstrijd
Uitspraak
Woordafbreking
  • ju·re·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord jurering jureringen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

jurering v [1]

  1. beoordeling door een groep deskundigen
    • Dat bleek maandagmiddag bij de bekendmaking van de jurering van het bloemencorso op het feestterrein. Zondag was de publieksuitslag trouwens al bekendgemaakt. [2] 
    • Het voorgevoel was juist. Gisteren gingen Duitsland en Zuid-Korea in de fout en groeide het besef dat Nederland inderdaad maandag erbij is in de landenwedstrijd. "Nee, verwacht had ik het niet. Al wisten we dat we geen fouten hadden meegenomen en een goede score hadden. Je moet alleen hopen dat de strenge jurering ook de tweede dag wordt doorgetrokken." [3] 
    • "Ik had het gevoel dat je de handdoek in de ring hebt gegooid. Jammer, want je hebt zoveel potentie", zei Janny van der Heijden tijdens de jurering. "Dat is jammer." [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Verwijzingen