jumbo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jum·bo
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘naam voor olifant’ voor het eerst aangetroffen in 1899 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord jumbo jumbo's
verkleinwoord jumbootje jumbootjes

Zelfstandig naamwoord

jumbo m

  1. (verkeer) Boeing 747 een zeer groot vliegtuig, jumbo-jet
    • Er zijn net iets meer dan 1500 jumbo's gemaakt sinds 1970. 
  2. (zoogdieren) olifant
    • Een jumbo is het grootste landzoogdier met een lange slurf. 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen