judaïca

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ju·daï·ca, ju·da·ica
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord judaïca
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

judaïca v/m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) niet-Hebreeuwse boeken over het jodendom
  2. (Jiddisch-Hebreeuws) joodse (kunst)voorwerpen
  3. (Jiddisch-Hebreeuws) studie van joodse cultuur en geschiedenis

Gangbaarheid

35 % van de Nederlanders;
41 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen