jubilaris
Uiterlijk
- ju·bi·la·ris
- Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘die een jubileum viert’ voor het eerst aangetroffen in 1659 [1]
- Verwant met jubileum. Zie aldaar.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | jubilaris | jubilarissen |
| verkleinwoord |
de jubilaris m
- iemand die zijn of haar jubileum viert
- Het woord jubilaris staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "jubilaris" herkend door:
| 92 % | van de Nederlanders; |
| 90 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ "jubilaris" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be