jonassen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
jonassen gejonast
jonasser
Uitspraak
Woordafbreking
  • jo·nas·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘iemand met zijn tweeën horizontaal vasthouden en heen en weer slingeren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1669 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jonassen
jonaste
gejonast
zwak -t volledig

Werkwoord

jonassen

  1. Aan armen en benen heen en weer slingeren
    • We hadden met hem gejonast. 
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
53 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen