jonas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jo·nas

Werkwoord

vervoeging van
jonassen

jonas

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jonassen
    • Ik jonas. 
  2. gebiedende wijs van jonassen
    • Jonas! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jonassen
    • Jonas je? 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.