jodenfooi

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jo·den·fooi
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord jodenfooi jodenfooien
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

jodenfooi v/m [1]

  1. (pejoratief) (verouderd) (informeel) te kleine beloning
    • De Holocaust betekende een schok die Europa meer dan een halve eeuw later nog maar nauwelijks te boven is. Antisemitisme en zelfs allerlei uitingen die als zodanig geïnterpreteerd zouden kunnen worden, werden taboe. We spreken tegenwoordig niet meer over een jodenfooi. [2] 
    • Mochten jullie toch met het ministerie van Financiën gaan onderhandelen, dan hoop ik dat jullie wel tegen die ambtenaren daar durven zeggen: “Leuk klokje heb je om! Niet zo duur zeker? Jodenfooi?” Niets is leuker dan een schaamrode ambtenaar. [3] 


Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Dr. C. S. L. Janse 09-04-2011 Antisemitisme, een blijvend probleem
  3. NRC Youp van ’t Hek 13 december 1997 Fax aan Frank & Ronald de Boer