jobstijding

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jobs·tij·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord jobstijding jobstijdingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

jobstijding v

  1. een boodschap van slechte aard
    • De dokter kwam met de jobstijding dat de patiënt niet lang meer te leven had. 
Synoniemen

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
54 % van de Vlamingen.