jicht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jicht
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘pijnlijke gewrichtsontsteking ten gevolge van onder meer een stofwisselingsziekte’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord jicht -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

jicht v/m

  1. (medisch) een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
    • Hij had flink last van jicht. 
    • Zo weet Abigail, die Annes jicht verlichtte zonder dat zij haar ooit had opgemerkt, zich bij de koningin in de kijker te spelen. [2] 
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen