jeuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jeuk
enkelvoud meervoud
naamwoord jeuk
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

jeuk m

  1. kriebel
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
jeuken

jeuk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jeuken
    • Ik jeuk. 
  2. gebiedende wijs van jeuken
    • Jeuk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jeuken
    • Jeuk je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie