jelie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • je·lie
Woordherkomst en -opbouw

Persoonlijk voornaamwoord

jelie

(informeel) (verouderd) jullie, (tweede persoon meervoud)
  1. nominatief (onderwerp) met werkwoordsvorm op -t
    • En dan, jelie kent het Bijbelwoord: (…) [2]
  2. nominatief (onderwerp) met werkwoordsvorm zonder uitgang
    • Kom jelie maar hier, m'n schatjes, daar is de vrouw, geef jelui d'r maar soentjes! [3]
  3. nominatief (onderwerp) met werkwoordsvorm op -n
    • Waar komen jelie vandaan, zeker weesjongens om in den dierentuin de apen te vlooien [4]
  4. datief (meewerkend voorwerp)
    • (…) 't gaat jelie geen bliksem aan! [5]
  5. accusatief (lijdend voorwerp)
    • ‘Weet je waar 'k dikwijls bang voor 'weest ben, Riek?,’ begon hij na een poos vertrouwelijk, - ‘dat ik jelie wel 's verveeld heb, zoo èlke avond...’ [6]

Bezittelijk voornaamwoord

jelie

  1. (informeel) (verouderd) jullie (tweede persoon meervoud)
    • Is dat soms jelie manier om elkaar 't leven aangenaam te maken? [7]

Gangbaarheid

Verwijzingen