janken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jan·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
janken
jankte
gejankt
zwak -t volledig

Werkwoord

janken

  1. (inergatief) traanvocht uitscheiden door emotie
    Nadat hij in zijn gezicht was geslagen jankte hij wel een uur.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl