jammerlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jam·mer·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen jammerlijk jammerlijker jammerlijkst
verbogen jammerlijke jammerlijkere jammerlijkste
partitief jammerlijks jammerlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

jammerlijk

  1. beklagenswaardig, bedroevend
    • De jammerlijke ondergang van het schip veroorzaakte grote schade. 

Bijwoord

jammerlijk

  1. totaal, volkomen (negatief)
    • Het is jammerlijk mislukt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.