jammerlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jam·mer·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen jammerlijk jammerlijker jammerlijkst
verbogen jammerlijke jammerlijkere jammerlijkste
partitief jammerlijks jammerlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

jammerlijk

  1. beklagenswaardig, bedroevend
    • De jammerlijke ondergang van het schip veroorzaakte grote schade. 
     `Ik weet het; zei de majordomus. 'Het was ijdele hoop dat dit u zou ontgaan. Ik vraag u met klem de grootmoedigheid op te brengen om mijn nederige excuses te aanvaarden. Deze uit de toon vallende decoratie is het jammerlijke gevolg van het enthousiasme van de nieuwe eigenaar.'[1]

Bijwoord

jammerlijk

  1. totaal, volkomen (negatief)
    • Het is jammerlijk mislukt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 16