Naar inhoud springen

jammerlijk

Uit WikiWoordenboek
  • jam·mer·lijk
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen jammerlijkjammerlijkerjammerlijkst
verbogen jammerlijkejammerlijkerejammerlijkste
partitief jammerlijksjammerlijkers-

jammerlijk

  1. beklagenswaardig, bedroevend
    • De jammerlijke ondergang van het schip veroorzaakte grote schade. 
     `Ik weet het; zei de majordomus. 'Het was ijdele hoop dat dit u zou ontgaan. Ik vraag u met klem de grootmoedigheid op te brengen om mijn nederige excuses te aanvaarden. Deze uit de toon vallende decoratie is het jammerlijke gevolg van het enthousiasme van de nieuwe eigenaar.'[1]

jammerlijk

  1. totaal, volkomen (negatief)
    • Het is jammerlijk mislukt. 
98 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[2]
  1. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 16
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be