jammeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jam·me·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jammeren
jammerde
gejammerd
zwak -d volledig

Werkwoord

jammeren

  1. inergatief klagende, huilende geluiden maken
    • Zij jammerde dat haar geld gestolen was. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

jammeren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord jammer

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.