jakkerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jak·ker·de

Werkwoord

vervoeging van
jakkeren

jakkerde

  1. enkelvoud verleden tijd van jakkeren
    • Ik jakkerde. 
    • Jij jakkerde. 
    • Hij, zij, het jakkerde.