Naar inhoud springen

jachtwachter

Uit WikiWoordenboek
  • jacht·wach·ter
enkelvoud meervoud
naamwoord jachtwachter jachtwachters
verkleinwoord - -

dejachtwachterm

  1. (beroep) iemand die toeziet op naleving van de jachtwet
     De jacht is natuurlijk niet geoorloofd. Er zal ons een jachtwachter op de hielen zitten, Bennie heeft hem mij al getoond, hij zwerft rond de hoeve, elke dag, als een vogelschrik of als een geklede reiger, een doodversleten, doodmoede man met rijlaarzen en een tweeloop op de schouder, hij heeft waarschijnlijk in geen twintig jaar een stroper gevat.[2]
        4
  • frequentie in teksten uit België, vergeleken met die in Nederland, op een 7-puntsschaal: [3]
        6
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De metsiers in:
    Ludo Permentier & Rik Schutz
    Typisch Vlaams. 4000 woorden en uitdrukkingen (2015), Davidsfonds, Leuven, ISBN 9789059086517, jachtwachter
  3. 1 2 3
    Ludo Permentier & Rik Schutz
    “Typisch Vlaams. 4000 woorden en uitdrukkingen” (2015), Davidsfonds, Leuven, ISBN 9789059086517, jachtwachter