izegrim
Uiterlijk
- ize·grim
- Naar een van de hoofdpersonages uit het 12e-eeuwse dierdicht Ysengrimus, die tevens voorkomt in Van den vos Reynaerde [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | izegrim | izegrims izegrimmen |
| verkleinwoord | izegrimmetje | izegrimmetjes |
de izegrim m
- iemand die overdreven veel moppert
- ▸ De oude izegrim mopperde nu letterlijk tegen àlles, wat Jan Plezier zeide of deed, maar de schoenmaker lachte hem vierkant in het gezicht uit en zei, dat Geelman zich maar met zijn pillendraaierij en zijn braven zoon Jozef moest bemoeien.[2]
1. iemand die neigt tot mopperen
- Het woord 'izegrim' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
- ↑ izegrim op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Weblink bron Chr. van Abkoude“Pietje Bell, of de lotgevallen van een ondeugenden jongen”, digitale editie (1914), p. 192