Naar inhoud springen

izegrim

Uit WikiWoordenboek
  • ize·grim
enkelvoud meervoud
naamwoord izegrim izegrims
izegrimmen
verkleinwoord izegrimmetje izegrimmetjes

deizegrimm

  1. iemand die overdreven veel moppert
     De oude izegrim mopperde nu letterlijk tegen àlles, wat Jan Plezier zeide of deed, maar de schoenmaker lachte hem vierkant in het gezicht uit en zei, dat Geelman zich maar met zijn pillendraaierij en zijn braven zoon Jozef moest bemoeien.[2]
  1. izegrim op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron
    Chr. van Abkoude
    “Pietje Bell, of de lotgevallen van een ondeugenden jongen”, digitale editie (1914), p. 192