isomorf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • iso·morf
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘van dezelfde gedaante’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • met het voorvoegsel iso- en met het achtervoegsel -morf [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord isomorf isomorfen
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

Zelfstandig naamwoord

isomorf m

  1. (taalkunde) lijn waardoor een gebied met bepaalde dialectische buigingsvormen afgebakend wordt
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen isomorf isomorfer isomorfst
verbogen isomorfe isomorfere isomorfste
partitief isomorfs isomorfers -

Bijvoeglijk naamwoord

isomorf

  1. van dezelfde vorm
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen